header

Godsideaal

Velen, die bereid zijn het

Godsideaal aan te nemen, trekken

de persoonlijkheid van God ...

 

Het Godsideaal

 

 

Velen, die bereid zijn het Godsideaal aan te nemen, trekken de persoonlijkheid van God in twijfel. Sommigen zeggen: “Als alles God is, dan is God geen persoon”, want ‘alles’ is geen persoon. ‘Alles’ is wat uitgedrukt wordt door het woord alles. Deze vraag kan zo beantwoord worden, dat, ofschoon men in het zaad niet de bloem kan zien, het zaad toch in de bloem tot zijn hoogste ontwikkeling komt en dat daarom de bloem al in het zaad heeft bestaan. Als men zou zeggen dat de bloem was gemaakt naar het beeld van het zaad, dan zou dat niet onwaar zijn, want het enige beeld van het zaad is de bloem. Als God geen persoonlijkheid heeft, hoe kunnen wij menselijke wezens dan een persoonlijkheid hebben, wij die uit Hem voortkomen, uit Zijn eigen wezen, en die het goddelijke kunnen uitdrukken in de volmaking van onze ziel?

 

Als de waterpoel water is, dan is de zee zeker ook water. Hoe kan de waterdruppel water zijn en de zee niet? Het verschil tussen de menselijke en de goddelijke persoonlijkheid, de persoonlijkheid van God is, dat de menselijke persoonlijkheid met iets anders kan vergeleken worden, maar Gods persoonlijkheid niet. De menselijke persoonlijkheid kan met iets vergeleken worden door haar eigen tegendeel. God heeft geen tegendeel, dus kan Zijn persoonlijkheid niet vergeleken worden met iets anders. Als men zegt dat God alles is, dan is het alsof men zegt: Hij is het totaal van alle bestaande dingen. Het woord alles kan niet die bete- kenis uitdrukken, welke het Godsideaal kan verklaren, de juiste uitdrukking voor God is:

Het Enige Wezen.

 

Het Godsideaal is zo geweldig, dat de mens het nooit ten volle kan begrijpen. Daarom is de beste methode die de wijzen hebben toegepast, ieder mens zich zijn eigen God te laten vormen. Zodoende maakt de mens zich een voorstelling, waartoe hij in staat is. Hij maakt God tot koning van de hemel en de aarde. Hij maakt Hem tot rechter, groter dan alle rechters. Hij geeft Hem de naam van Al-machtige, dat is Hij die alle macht heeft. Hij maakt Hem tot de bezitter van alle genade en heerlijkheid. Hij ziet in Hem de geliefde God, genadig en barmhartig. Hij ziet in Hem alle volmaking.

 

Dit denkbeeld wordt een trap om tot hoger kennis van God te komen. Hij die geen verbeeldingskracht heeft om zich een God te vormen, en hij die niet open staat voor het beeld van God dat de ander hem voorhoudt, hij blijft zonder God. Want hij vindt geen treden waar- langs hij die kennis kan bereiken waarnaar zijn ziel uitgaat, maar die hij in zijn twijfel ontkent. In velen komt de vraag op of het niet zelfbedrog is om een God te maken met onze eigen verbeelding, een wezen dat in de objectieve wereld niet gezien wordt.

 

Het antwoord is, dat ons hele leven gebaseerd en opgebouwd is op verbeelding, en als er één ding in deze objectieve wereld is dat duurzaam is, dan is het verbeelding. Hij die geen verbeeldingskracht heeft en haar geen waarde toekent, is ontoegankelijk voor poëzie en kunst, voor muziek, voor de waarde van omgangsvormen en cultuur.

 

Hij kan vergeleken worden met een rots, die zich zeker nooit om verbeelding bekommert. De mens is niet in staat om God anders af te beelden dan als een persoon, als iemand met de allerhoogste eigenschappen, als de ideale mens. Dit betekent niet dat alles wat lelijk en slecht is, niet tot Gods heelal behoort, of in andere woorden, niet in God zelf is. Het water van de oceaan is helder ondanks alle dingen die er in geworpen worden. Zo neemt het Zuivere Wezen alle onzuiverheden in zich op, en brengt ze weer tot zuiverheid.

 

Het kwade en het lelijke bestaan alleen in het begrensde begrip van de mens. In Gods grote wezen bestaan zij niet, en daarom heeft de mens geen ongelijk die in zijn verbeelding God maakt tot de God van alle schoonheid, vrij van alles wat lelijk is. De God van alle hoogste hoedanigheden, vrij van alle kwaad.

 

Want door die voorstelling wordt hij ieder ogenblik van zijn leven steeds nader getrokken tot dat goddelijk ideaal, dat het verlangen van zijn ziel is. En wanneer hij eenmaal tot het begrip van de goddelijke Volmaking gekomen is, zal hij daarin de vervulling van zijn leven vinden.

 

Hazrat Inayat Khan uit Religieuze Gatheka's 44